Annotatie Joost en Rob over verlaten grondentrechter tussen beroep en hoger beroep

Joost en Rob schrijven in Bouwrecht 2022/29 en 2022/30 een annotatie over de nieuwe lijn in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: in andere zaken dan omgevingsrechtelijke zaken mag een appellant in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak een beroepsgrond aanvoeren die hij of zij niet al in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. Voorheen mocht dat niet. In omgevingsrechtelijke zaken blijft de oude lijn gelden. Zie de uitspraken van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:362 en ECLI:NLRVS:2022:363. Hieronder vindt u de tekst van de annotatie:

  1. In de literatuur wordt al langer gediscussieerd over de aanvaardbaarheid van de door de Afdeling gehanteerde grondentrechter tussen beroep en hoger beroep. Zie onder andere L.M. Koenraad, ‘Op zoek naar de algemene beginselen van behoorlijk burgerschap in het Nederlands bestuursrecht’, in: T. Barkhuysen e.a. (red), 25 jaar Awb. In eenheid en verscheidenheid, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 234, en de annotatie van Ortlep onder ABRvS 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3683, AB 2019/26. De grondentrechter houdt kort gezegd in dat gronden die niet in eerste aanleg zijn aangevoerd, in beginsel niet voor de eerste keer in hoger beroep bij de Afdeling naar voren kunnen worden gebracht. Volgens de Afdeling moest uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen in beginsel alle gronden in eerste aanleg naar voren worden gebracht. De benadering van de Afdeling week op dit punt af van de andere hoogste bestuursrechters; zie r.o. 4.2 van de hierboven afgedrukte uitspraak, ECLI:NL:RVS:2022:363 (BR 2022/30).
  2. In de afgedrukte uitspraken gaat de Afdeling deels om. Ter bevordering van de rechtseenheid tussen de hoogste bestuursrechters en om redenen van rechtsbescherming ziet de Afdeling aanleiding de grondentrechter te verlaten, zij het dat zij in omgevingsrechtelijke zaken de grondentrechter blijft toepassen.
  3. In de literatuur is erop gewezen dat de door de Afdeling gehanteerde grondentrechter contrasteert met de herkansingsfunctie in hoger beroep; zie bijvoorbeeld de annotatie van Stuiver en De Graaf onder ABRvS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2301, AB 2021/33. Ook zouden bestuursorganen vrijwel onbeperkt herstelkansen krijgen terwijl de burger tegelijkertijd het verwijt krijgt dat hij de gronden maar in eerste aanleg moest aanvoeren; zie hiervoor de annotatie van Damen onder ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1785, AB 2019/544. En verder zou het gebruik van de grondentrechter (tussen voorprocedures en beroep) leiden tot juridisering doordat belanghebbenden veiligheidshalve zoveel mogelijk gronden produceren; zie bijvoorbeeld C.L.G.F.H. Albers en R.J.N. Schlössels, ‘De omvang van het bestuursrechtelijk geding: het Europese recht als paard van Troje’, Gst. 2005/26.
  4. In de literatuur worden echter ook redenen genoemd om de herkansingsfunctie te beperken. Een beperking kan gerechtvaardigd zijn als belangen van derden in het geding zijn; zie hiervoor bijvoorbeeld A.T. Marseille e.a., Bestuursrecht 2, Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 338-340. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 9 februari 2022 een evenwicht proberen te zoeken tussen de herkansingsfunctie enerzijds en de belangen van derden anderzijds. Zij kiest ervoor de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep in het omgevingsrecht (zoals in de uitspraken gedefinieerd) niet te verlaten, omdat derden, zoals vergunninghouders, betrokken zijn. De Afdeling noemt daarbij de rechtszekerheid voor die derden. Daarin kunnen wij op zich meevoelen, maar het blijft wringen dat ook buiten het omgevingsrecht belangen van derden een rol kunnen spelen. De Afdeling creëert hier dus verschillende procesrechtelijke regimes, wat op zich al niet bijdraagt aan de rechtseenheid, een begrip dat de Afdeling in beide afgedrukte uitspraken noemt, maar wat bovendien zonder enige grondslag in de Awb geschiedt. Het tweesporenbeleid van de Afdeling is verder niet goed te begrijpen in het licht van de omstandigheid dat ook bij het CBb meerpartijengeschillen worden beslecht en dat het omgevingsrecht in zoverre niet uniek is. Denk aan het telecommunicatie- en het mededingingsrecht. Vaak wordt bovendien (juist) in het omgevingsrecht zonder advocaat geprocedeerd. Formeel had een zonder advocaat procederende burger dan wellicht geen “belemmering” een grond al in beroep aan te voeren, maar een partij zonder proceservaring kan zomaar zaken over het hoofd zien.
  5. Ter rechtvaardiging van de uitzondering voor het omgevingsrecht overweegt de Afdeling ook dat het in omgevingsrechtelijke zaken vaker gaat om zaken met grote maatschappelijke belangen zoals infrastructurele projecten, woningbouw en energietransitie met korte wettelijke afdoeningstermijnen waarvoor een efficiënte rechtsgang extra van belang is. Dit is een politieke afweging die ons voorbehouden lijkt aan de wetgever. De wetgever heeft voor omgevingsrechtelijke zaken met grote maatschappelijke belangen al allerlei mogelijkheden tot versnelling geïntroduceerd. Denk aan de coördinatieregelingen van afdeling 3.6 Wro of bepaalde zaken op grond van de Crisis- en herstelwet, waarvoor beroep in eerste aanleg bij de Afdeling geldt (zie artikel 2 van Bijlage 2 bij de Awb en de daar genoemde artikelen 3.30, 3.33 en 3.35 Wro en 2.3 en 2.10 Crisis- en herstelwet) en waar de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep dus in het geheel niet speelt. Die coördinatieregelingen zijn ook op bepaalde zaken in het kader van de energietransitie van toepassing; zie de artikelen 9b e.v. Elektriciteitswet 1998.
  6. Als de Afdeling in ECLI:NL:RVS:2022:362, BR 2022/29, r.o. 7, met “korte wettelijke afdoeningstermijnen” doelt op de termijnen voor het doen van rechterlijke uitspraken, heeft zij op zich een punt. De grondentrechter helpt de discussie tussen partijen te kanaliseren en voorkomt dat de discussie verbreedt of zich herhaalt. Dit levert een belangrijke bijdrage op aan tijdige en finale geschilbeslechting; zie B.J. van Ettekoven, ‘Finale geschilbeslechting in het omgevingsrecht’, BR 2015/2. In 2020 bedroeg de gemiddelde doorlooptijd van afgedane zaken bij de Omgevingskamer van de Afdeling 33 weken; zie Raad van State, Jaarverslag 2020, Den Haag 2021, p. 49. Het is op zich niet ondenkbaar dat de doorlooptijden toenemen naarmate soepeler wordt omgegaan met de momenten waarop nieuwe gronden mogen worden aangevoerd, en dat wettelijke afdoeningstermijnen dan minder vaak worden gehaald. Het is goed dat een rechter probeert binnen de beschikbare publieke middelen zaken tijdig af te doen. De wetgever zou wellicht duidelijker moeten afwegen waarom voor bepaalde omgevingsrechtelijke zaken kortere afdoeningstermijnen worden gehanteerd (zoals in artikel 1.6, lid 4, Crisis- en herstelwet) dan in andere (omgevingsrechtelijke) zaken. Het bestuursprocesrecht is mede dankzij wetten als de Crisis- en herstelwet inmiddels een hele lappendeken aan uitzonderingen geworden.
  7. Overigens zal bij handhaving van de grondentrechter in omgevingsrechtelijke zaken het verschil tussen een nieuwe grond en een nader argument relevant blijven. Een nieuwe grond mag in beginsel in hoger beroep niet worden aangevoerd, maar een nader argument ter ondersteuning van een bestaande grond wel; zie recent ABRvS 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:511, r.o. 8. Niet in alle gevallen zal duidelijk zijn of het gaat om een nieuwe grond of een nader argument ter ondersteuning van een bestaande grond. In ABRvS 29 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:3018, r.o. 4.1, beoordeelt de Afdeling of een argument zodanig aansluit bij het betoog bij de rechtbank dat het als een nader argument ter onderbouwing van dat betoog en niet als een nieuwe beroepsgrond moet worden beschouwd. Hiermee geeft de Afdeling echter onzes inziens onvoldoende duidelijkheid. Als de Afdeling de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep in omgevingsrechtelijke zaken handhaaft, is het wenselijk dat de Afdeling een onderscheidend criterium gaat hanteren voor de beoordeling of sprake is van een nieuwe grond dan wel een nader argument ter ondersteuning van een al aangevoerde grond. Ook in breder verband is dit relevant. Artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet bepaalt bijvoorbeeld dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd, maar dit laat onverlet dat al aangevoerde gronden kunnen worden voorzien van nieuwe argumenten. Koenraad wijst er in zijn annotatie onder ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1100, AB 2018/237, terecht op dat hier een mooie uitdaging ligt voor een staatsraad advocaat-generaal.

Zwolle 3 maart 2022 RSW

Vernieuwde website SAM Advocaten in de lucht

Sinds 17 februari 2022 is de vernieuwde website van SAM Advocaten in de lucht. SAM Advocaten is het samenwerkingsverband van onafhankelijke advocatenkantoren die gespecialiseerd zijn in het omgevingsrecht. Op de site vindt u het archief van de Omgevingsflits, waarin wekelijks de belangrijkste rechterlijke uitspraken op het terrein van het omgevingsrecht worden samengevat. Beslist een bezoek waard: https://sam-advocaten.nl/in-het-archief/.

Vacatures

Hieronder vind je twee vacatures. Lees verder!

Vacature advocaatstagiair bestuursrecht

Wie zijn wij?

Wertheim advocatuur b.v. is een nichekantoor dat zich richt op het bestuursrecht. Advocaten Joost oude Egbrink en Rob Wertheim werken voor overheden, woningcorporaties, bedrijven en particulieren. Wij adviseren en procederen onder andere over omgevingsvergunningen, natuurvergunningen, subsidies en de Wet openbaarheid van bestuur. Joost en Rob publiceren met regelmaat in juridische tijdschriften en zijn actief in bezwarencommissies van overheden. Rob is daarnaast als deeltijddocent verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Wie zoeken wij?

De kandidaat die wij zoeken heeft zijn of haar master Nederlands Recht (met civiel effect) met goede tot zeer goede studieresultaten afgerond. Het is niet nodig dat je bent afgestudeerd in het bestuursrecht, maar het strekt wel tot de aanbeveling. Een goed juridisch inzicht en een sterk analytisch vermogen zijn essentieel. Daarnaast heb je een brede maatschappelijke belangstelling. Tot slot ben je sociaal en beschik je over goede schriftelijke en mondelinge vaardigheden. De Beroepsopleiding Advocaten kent vast startdata; eventueel word je tot de startdatum tijdelijk in dienst genomen als juridisch medewerker.

Vacature juridisch medewerker in deeltijd naast studie

Wij zijn op zoek naar een universitaire student Nederlands recht (met civiel effect) (of eventueel een HBO-rechtenstudent met universitaire ambities) aan het eind van de bachelor/begin van de master, met goede studieresultaten. Een bestuursrechtelijke specialisatie strekt tot aanbeveling, maar is niet vereist. Je werkzaamheden zullen bestaan in het bestuderen van dossiers, het verrichten van jurisprudentieonderzoek, het opstellen van notities en het bijwonen van zittingen. Het aantal uren is bespreekbaar en kan worden aangepast aan je wensen. Bij gebleken geschiktheid en voldoende werkaanbod is verlenging denkbaar. Het is de bedoeling dat je je werkzaamheden uiteindelijk deels op ons kantoor in Zwolle zult uitvoeren; gedeeltelijk digitaal op afstand werken is bespreekbaar.

Belangstelling voor een van beide functies?

Stuur je motivatiebrief, een CV en een actuele en ongeschoonde cijferlijst naar mr. Joost oude Egbrink op info@wertheimadvocatuur.nl. Voor vragen over de vacatures kun je met hem contact opnemen op 038 7601383 of per mail. De eerste sollicitatiegesprekken zullen mogelijk online worden gevoerd. Een assessment kan onderdeel zijn van de sollicitatieprocedure voor de functie van advocaatstagiair.

Joost haalt Grotius Omgevingsrecht cum laude

Joost heeft op 7 december 2021 opnieuw cum laude een examen van de Grotius Academie afgelegd, dit keer de Grotius-vervolgopleiding Omgevingsrecht. Voor het mondeling heeft Joost een 8,5 gehaald, tevens het gemiddelde cijfer voor zijn schriftelijke opdrachten. Wertheim advocatuur b.v. feliciteert Joost met dit mooie resultaat! Joost beantwoordt dus graag uw vragen over het omgevingsrecht en de komende Omgevingswet.

Inspraak en rechtsbescherming volgens het Verdrag van Aarhus: annotatie Rob Wertheim bij “St. Varkens in Nood”

In Review of European Administrative Law (REALaw), 2021/3 (oktober), is de Engelstalige, “peer-reviewed” annotatie van Rob verschenen. Rob gaat daarin in op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, C-826/18, ECLI:EU:C:2021:7 (Stichting Varkens in Nood e.a./College van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren). Deze prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is gedaan door de Rechtbank Limburg in een zaak over een vergunning voor de uitbreiding en wijziging van een in Koningsbosch gelegen varkensstal, met het oog op het bouwen van een nieuwe stal voor 855 guste en dragende zeugen, het in de bestaande stallen wisselen van 484 opfokzeugen voor 125 kraamzeugen en het bouwen van een overdekte zeugenuitloop. Een dierenarts die op 20 km afstand woonde, gaf eerder geen zienswijze over de ontwerpvergunning maar diende vervolgens bij die Rechtbank wel beroep in tegen de verleende vergunning. De Rechtbank Limburg overweegt in de verwijzingsuitspraak dat de conclusie zou moeten zijn dat de dierenarts niet-ontvankelijk is in haar beroep omdat zij geen belanghebbende is. Vanwege Europese regelgeving (Richtlijn 2010/75 EU en Richtlijn 2011/92/EU) en het Verdrag van Aarhus durft zij die conclusie echter niet te trekken. Stichting Varkens in Nood en andere milieuclubs hebben eveneens beroep ingesteld tegen de vergunning. Ook zij hadden geen zienswijzen over de ontwerpvergunning naar voren gebracht en zouden op grond van artikel 6:13 Awb daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in hun beroep bij de Rechtbank Limburg. De Rechtbank vraagt zich echter af of dat dit in strijd is met het Verdrag van Aarhus. Dit alles leidt de Rechtbank Limburg tot het stellen van zes prejudiciële vragen aan het HvJ EU. In de annotatie bespreekt Rob de (deels opvallende) overwegingen en antwoorden van het Hof van Justitie.

Annotatie Rob bij Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding 2020

Rob schrijft in Bouwrecht 2021/91 een annotatie bij de uitspraak ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395. De Afdeling bestuursrechtspraak komt vanwege HvJ EU 25 juni 2020, ECLI:EU:C:2020:503 (“Nevele”) terug van haar eerdere uitspraak “Battenoord” en oordeelt nu dat de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer niet meer kunnen worden toegepast voor windturbineparken die onder de bijlage II, punt 3, onder i, bij de Mer-richtlijn vallen. Die bepalingen zijn namelijk ten onrechte, want in strijd met de Smb-richtlijn, niet aan een voorafgaande milieubeoordeling onderworpen. In de bijlage is de tekst van de annotatie opgenomen.

Bouwrecht 2021/91 m.nt. Wertheim