Advies Adviescollege Stikstofproblematiek

Op 25 september 2019 wordt het advies van het Adviescollege Stikstofproblematiek (“Commissie Remkes”), “Niet alles kan”, gepresenteerd. Het is hier op te halen.

Wertheim advocatuur B.V. geeft hieronder enkele hoofdlijnen weer, soms met commentaar.

Directe aanleiding voor het advies vormen de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) van 29 mei 2019 (voor de uitspraak over het PAS algemeen klik hier en voor de uitspraak over het beweiden en bemesten klik hier). Het PAS, dat bedoeld was om enerzijds een gunstige staat van instandhouding van Natura-2000-gebieden te bereiken en anderzijds economische ontwikkelingen met stikstofuitstoot mogelijk te maken, is onverbindend geoordeeld. Sindsdien liggen veel vergunningprocedures stil.

Het Adviescollege Stikstofproblematiek heeft vrij snel daarna de opdracht gekregen de minister van LNV te adviseren a) over het verlenen van toestemming voor ontwikkelingen met stikstofuitstoot , b) over een kader voor een evenwichtige afweging van de verschillende sectoren en maatschappelijke belangen en c) over een nieuwe aanpak van de stikstofproblematiek. “Niet alles kan” gaat over de eerste twee elementen. Over onderdeel c, het advies over de langere termijn, moet het Adviescollege formeel uiterlijk in juni 2020 adviseren.

Context

Het Adviescollege schetst in zijn rapport eerst de context. Het geeft een uiteenzetting van de omvang van de stikstofproblematiek en schuwt daarbij stevige bewoordingen niet. “Nederland staat in Europa onderaan de lijst als het gaat om de staat van instandhouding van habitattypen in EU27, 2007-2012.” Anderzijds wil het Adviescollege niet alleen negatief zijn, bijvoorbeeld waar het opmerkt dat “[e]een belangrijk deel van onze landbouw is efficiënt en innovatief, en behoort tot de top van de wereld” of waar het stelt dat het benadrukken van tegenstellingen tussen natuurbelang, economische belangen en andere belangen niet productief is. Misschien ziet men hier al dat het Adviescollege ondanks de strakke kaders van de natuurwetgeving (o.a. Habitatrichtlijn, Wet natuurbescherming) probeert bepaalde maatschappelijke en economische sectoren en politieke partijen niet meteen tegen zich in het harnas te jagen. Men ziet wellicht ook meteen de invloed van de leden van het Adviescollege die een provinciale achtergrond hebben, oud-CdK Noord-Holland Remkes en oud-gedeputeerde Overijssel Maij, daar waar opgemerkt wordt dat “[p]rovincies een belangrijke rol [spelen] bij verduurzaming van de landbouw, de vitaliteit van het platteland, de realisatie van het Natuurpact, de uitvoering en handhaving van de Wet Natuurbescherming en de uitwerking van het Klimaatakkoord in regionale energiestrategieën.” Die belangrijke rol is natuurlijk ook gewoon het gevolg van het feit dat het provinciebestuur volgens de Wet natuurbescherming in veel gevallen het bevoegde gezag is.

Aanbevelingen korte termijn

Na een lange aanloop komt het Adviescollege vanaf bladzijde 23 met het hoofdstuk “Aanbevelingen korte termijn”, welke titel concrete maatregelen lijkt te beloven. In dit hoofdstuk vindt men echter de nodige passages over de vraag waarom zaken niet werken en over zaken die nog niet duidelijk zijn. Voor de veehouderij wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat in het huidige regime de daadwerkelijke toepassing van innovatieve ontwikkelingen vele jaren duurt door de versnippering van commerciële technische doorontwikkeling en het vertraagde marktaanbod van innovaties als beste beschikbare techniek door moeizame certificering. In de paragraaf “Maatregelen in de industrie” werpt het Adviescollege verder bijvoorbeeld de vraag op of kleinere, specifieke biomassacentrales aan dezelfde emissie-eisen worden onderworpen als grote centrales.

Vervolgens blijken niet alle aanbevelingen even concreet. Zo beveelt het Adviescollege voor de veehouderij een door het Rijk gefinancierde selectieve, gebiedsspecifieke en doelgerichte reductie van de ammoniakemissies aan doorgerichte verwerving of sanering van agrarische bedrijven met relatief hoge emissies of verouderde stalsystemen in en nabij Natura-2000-gebieden. Voor de blijvende veehouderijbedrijven moet versneld worden ingezet op toepassing van de “best environmental means”, die in Rijkswetgeving verankerd moet worden. Veel meer details leest men in het rapport echter niet.

Hetzelfde geldt voor het advies van het adviescollege om provincies de opdracht gegeven om te verkennen in hoeverre verschillende industriële sectoren een negatieve bijdrage leveren aan de stikstofdepositie van stikstofgevoelige Natura-2000-gebieden, welke maatregelen nodig zijn en welk activerend beleid kan worden gevoerd vanuit het Rijk en de provincies voor het stimuleren van de toepassing van nieuwe technieken en voor innovaties in de industriële sector.

In de bouwsector is winst te behalen door modulair, energieneutraal, circulair en natuur inclusief bouwen en beter gebruik van innovatieve technieken en materialen. Het Adviescollege adviseert aanbestedingsvoorwaarden en vergunningsvoorwaarden hierop aan te passen.

Het meest concreet lijkt het advies onder het kopje Maatregelen op het gebied van mobiliteit om een snelheidsverlaging door te voeren op Rijks- en provinciale wegen.

Emissiereductie staat bij de maatregelen voorop.

Natuurherstel

Het Adviescollege adviseert een intensivering en versnelling van het natuurherstel en het waar nodig beschikbaar stellen van de daarvoor benodigde financiële middelen, door het Rijk en de provincies. Op korte termijn moeten zo mogelijk aanvullende maatregelen worden geprogrammeerd en dient een versneld realisatie-pad te worden uitgezet. Alle partijen dienen prioriteit te geven aan de herstelprogramma’s in stikstofgevoelige Natura-2000-gebieden. Hierbij dient nader te worden bezien wat mogelijkheden zijn om de besluitvorming rond deze herstelprojecten te versnellen, door snellere besluitvorming over bestemmingsplannen. Door verschillende partijen is tevens gesuggereerd om te bezien in hoeverre rond de begrensde Natura-2000-gebieden door herinrichting van het landelijk gebied (door inbreng van gronden van Staatsbosbeheer, of inbreng van rijksgronden) robuustere condities voor (hydrologisch) herstel van de stikstofgevoelige natuur kan ontstaan. Door extensivering van het landgebruik rond de natuur (het creëren van bufferzones met natuurinclusieve landbouw), zonder dit onder het regime van de natuurbeschermingswet te brengen, kan de vitaliteit van de te beschermen natuur vergroot worden en kan tevens ruimte worden geboden aan de transitie naar circulaire landbouw. Agrarische ondernemers moeten hiervoor beloond worden. Een transitie naar natuurinclusieve landbouw kan binnen een korte termijn worden gerealiseerd met behulp van een fonds om deze transitie te faciliteren.

Benutten vrijgekomen ruimte

Afroming van de gerealiseerde reductie moet plaatsvinden in het licht van de behoud- en herstelopgave voor Natuur-2000-gebieden. Dit wil zeggen dat slechts een deel van de gerealiseerde reductie beschikbaar is voor de aanpak van knelpunten, aldus het Adviescollege. Wij vragen ons af wat hier precies bedoeld wordt. Als het gaat om zogeheten saldering (intrekking van de vergunning van een saldo gevend bedrijf ten behoeve van een saldo ontvangend bedrijf), dan is dat onder de voorwaarden van ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 39.7, en eerdere rechtspraak weer mogelijk. Als wordt gesuggereerd dat ook meer algemene reductiemaatregelen in overbelaste situaties voor nieuwe projecten kunnen worden ingezet, lijkt dat juridisch onhoudbaar.

Terzijde: advocaat-generaal Kokott, die het Hof van Justitie EU adviseerde over de vragen van de Raad van State over het PAS, schreef eerder nog: “Het voorbeeld van de stikstofdepositie illustreert dit: het volstaat niet de stikstofdepositie met een bepaalde hoeveelheid, bijvoorbeeld 1 kg N/ha/jr, te verminderen om extra depositie in dezelfde omvang te mogen toestaan, indien de beschermde habitat als geheel nog steeds te zwaar met stikstof wordt belast. Extra depositie kan alleen worden toegestaan wanneer de totale belasting, met inbegrip van de nieuwe depositie, zo gering is dat zij de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet aantast” (punt 80 van de desbetreffende Conclusie). Het Hof van Justitie was vervolgens iets voorzichtiger: “In omstandigheden als die van het hoofdgeding zijn de mogelijkheden om een vergunning te verlenen voor activiteiten die in een later stadium een nadelige invloed kunnen hebben op de ecologische situatie van de betrokken gebieden, noodzakelijkerwijs gering wanneer de staat van instandhouding van een natuurlijke habitat ongunstig is.” (punt 103 van het desbetreffende arrest). Vergelijk ook ABRvS 29 mei 2019, r.o. 14.5. Dit doet de vraag rijzen of salderen niet toch vaker voor onmogelijk moet worden gehouden.

Verder is afroming van vergunde, maar niet benutte ruimte volgens het Adviescollege denkbaar en wenselijk. Dergelijke latente ruimte komt in principe niet in aanmerking voor legalisering. Voor het overige is intrekking van bestaande vergunningen alleen de orde als dat in een concreet geval de enige passende maatregel is of als zo’n maatregel onderdeel vormt van generiek beleid.

Het Adviescollege adviseert “ook” voor bemesten de huidige gedoogstatus te handhaven (net als voor beweiden dus?), in afwachting van het tussentijdse advies dat het Adviescollege eind 2019 over beweiden en bemesten zal uitbrengen.

Juridische aspecten

Onder dit kopje stelt het Adviescollege onder meer dat het niet wenselijk is dat kleine bijdragen aan de depositie die onder het PAS waren vrijgesteld van een vergunning (dit betreft niet beweiden en bemesten) en tijdelijke emissies alsnog worden onderworpen aan langdurige vergunningprocedures. Het Adviescollege beveelt Rijk en provincies aan beleid te formuleren langs de volgende lijnen.

Aanvraag

  • bij gebreke van een vrijstellingsregeling zal met het oog op legalisering een vergunningaanvraag moeten worden ingediend;
  • aanvragers moeten – na bekendmaking van het beleid – een redelijke termijn krijgen voor indiening van de aanvraag;
  • aanvrager zal een nieuwe AERIUS-berekening moeten overleggen;
  • aanvragers zijn gehouden om informatie te verstrekken over welke inspanningen zij verrichten om emissies zoveel mogelijk te beperken (toepassen van beste beschikbare technieken);
  • aanvrager dient inzicht te geven in de gerealiseerde activiteiten per 29 mei 2019. Latente ruimte komt niet in aanmerking voor legalisering (behoudens maatwerk).

Faciliteren individuele beoordeling

  • er dient te worden gezocht naar een systematiek waarin de benodigde vergunningruimte wordt geïnventariseerd door de provincies;
  • deze vraag wordt per activiteit inzichtelijk gemaakt en de totale vraag wordt gerelateerd aan de ruimte die na afroming beschikbaar is. Het gaat daarbij om een collectieve passende beoordeling waarin individuele activiteiten inzichtelijk worden gemaakt. Voor de activiteiten waarvoor ruimte beschikbaar is, is naar de mening van het Adviescollege nader individueel onderzoek niet zinvol;
  • gezocht moet worden naar een mogelijkheid om in lijn met het voorgaande een eenvoudige afdoening te bewerkstelligen, die leidt tot een vergunning;
  • bij het ontbreken van voldoende ruimte kan aanvrager ervoor kiezen de stappen van salderen of de ADC-toets te doorlopen.

Hoe de bedoelde “eenvoudige afdoening” moet worden gerealiseerd, is de vraag. De rechtspraak stelt immers strenge eisen aan passende beoordelingen en een ADC-toets komt reeds in beeld als uit de passende beoordeling niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast zullen worden.

Kortom, veel zal nog moeten worden uitgewerkt en duidelijk moeten worden. Laten wij hopen dat Nederland in Europa niet langer onderaan blijft bungelen waar het gaat om de staat van instandhouding van habitattypen.

 

Actualiteitenmiddagen SAM Advocaten

SAM Advocaten treft alweer voorbereidingen voor de halfjaarlijkse SAM-symposia, waarbij de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van het omgevingsrecht worden behandeld. Actuele uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State staan centraal. Deelname is kosteloos en staat open voor juristen en juridisch beleidsmedewerkers die werkzaam zijn bij gemeenten, provincies en waterschappen. Bent u ook van de partij? U kunt zich hiervoor opgeven! Na opgave ontvangt u een bevestiging en informatie over de precieze tijd en plaats.

Parlementaire stukken Omgevingswet

Op onze site zijn nu de parlementaire stukken van het wetgevingstraject rondom de Omgevingswet te vinden. Klik hier. De Omgevingswet moet per 2021 in werking treden. De stukken die wij gebundeld hebben, beslaan al meer dan 9.000 pagina’s, de stukken waarnaar met links verwezen wordt en en die te vinden zijn op externe pagina’s, dus nog niet meegerekend. Volledig lezen lijkt onbegonnen werk, maar de stukken zijn naar wij hopen nuttig als naslagwerk. Als u vragen hebt, adviseren wij u met plezier.

Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. (Te) voortvarende finale geschilbeslechting

In het juridische tijdschrift AB (AB 2019/338) verschijnt de noot van Rob Wertheim bij ABRvS 15 mei 2019. Hierin gaat hij in op de eisen waaraan een in een bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid en een wijzigingsbevoegdheid moeten voldoen. Ook bespreekt hij dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het tot de rechter gerichte gebod om geschillen zoveel mogelijk finaal te beslechten (artikel 8:41a Awb) wellicht iets te voortvarend uitvoert.

De tekst van de annotatie luidt als volgt:

“1. L.J.A. Damen heeft in verschillende annotaties aandacht gevraagd voor de “bouwstenen”, oftewel standaardformuleringen en toverformules, in rechterlijke uitspraken. Zie onder andere zijn annotaties onder CRvB 15 januari 2019, AB 2019/228, en ABRvS 16 maart 2016, AB 2016/211. In de hier- boven afgedrukte uitspraak zijn enkele overwegin- gen te vinden die afwijken van de desbetreffende “bouwstenen”. Zo zou ik de laatste volzin van r.o. 6.5 meer in lijn met de toverformule van Maxis/ Praxis(ABRS9 mei1996,ECLI:NL:RVS:1996:ZF2153, AB 1997/93) formuleren:
“Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten geen woonbestemming aan de betrokken gronden toe te kennen.”
In de afgedrukte uitspraak, r.o. 6.6, eerste volzin, sluit de Afdeling wel weer aan bij Maxis/Praxis:
“… in redelijkheid een bedrijfsbestemming met een uitsterfsterfregeling heeft kunnen toekennen.”
In literaire teksten draagt variatie bij aan de kwa- liteit. Als in een rechterlijke uitspraak een rechts- regel anders geformuleerd wordt dan elders in de uitspraak of anders dan in eerdere uitspraken, kan bij de lezer de vraag rijzen of de rechter ook echt iets anders bedoelt.

2. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor r.o. 11.3. Volgens die rechtsoverweging kan binnenplans afwijken van het bestemmingsplan “alleen een ondergeschikte afwijking van de planregels betreffen”. In andere uitspraken zijn uitgebreidere riedels te vinden, hoewel die onderling soms ook verschillen. Ik noem ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:339: “Een afwijkingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Niet kan worden afgeweken van de in de verbeelding opgenomen bestemmingen. Toepassing van een afwijkingsregeling mag evenmin het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd. Afwijkingsbevoegdheden dienen door voldoende objectieve normen te worden begrensd.”
En ABRvS 28 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3286:
“Met deze bepaling kan het bevoegd gezag de bevoegdheid worden gegeven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Afwijkingsbevoegdheden dienen door vol- doende objectieve normen te worden begrensd en mogen niet het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd.”
Zie voorts ABRS 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2506, en ABRvS 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:326. De vraag is waarom in de af- gedrukte uitspraak niet een uitgebreide “bouwsteen” uit de computers van de Afdeling is getoverd. Voor inconsistenties kan men enig begrip hebben. De Afdeling is geen cassatierechter en heeft bijvoorbeeld in het jaar 2018 13.481 zaken afgedaan; zie Raad van State, Jaarverslag 2018, Den Haag: Raad van State 2019, p. 77. Niettemin zouden, zolang de rechter geen nieuwe koers wil varen, vaste bouw- stenen het streven moeten zijn, om de reden die ik hierboven noemde.

3. In de afgedrukte uitspraak was voor de bestemmingen “Agrarisch”, “Agrarisch – Paardenhouderij”, “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” en “Bedrijf” een bevoegdheid opgenomen om binnenplans af te wijken ten behoeve van windturbines. Hoewel een uitgebreidere “bouwsteen” misschien op zijn plaats was geweest, past het niet toestaan van zo’n bevoegdheid in de eerdere rechtspraak. De appellanten in ABRvS 29 april 2015, BR 2015/63 (met noot van mijn hand) zouden dat misschien wel bestempelen als een vorm van verhullend bestemmen, hoewel de casus daar anders was. De Afdeling oordeelde daar dat de systematiek van de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) niet toelaat dat de bestemming “wonen” ten behoeve van de functie “zorginstelling” wordt opgenomen. Bijzonder is wel dat de Afdeling in de afgedrukte uitspraak (r.o. 11.3) suggereert dat de gemeenteraad een windturbine in de doeleindenbeschrijving van de betrokken bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch-Paardenhouderij’, ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ en ‘Bedrijf’ zou kunnen noemen. Ik vraag mij af hoe zich dat verhoudt tot de (via de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 voorgeschreven) SVBP2012-functielijst (http://ro-standaarden.geonovum.nl/ 2012/SVBP/1.2/SVBP2012-Functielijst-v1.2.1.pdf). Windturbines horen thuis in de hoofdgroep “bedrijf” en dus niet, lijkt mij, bij bijvoorbeeld een bestemming “agrarisch”.

4. In r.o. 15 geeft de Afdeling aan de gemeenteraad een tip hoe de kleinschalige windturbines wel mogelijk gemaakt kunnen worden. Zij suggereert dat dat kan met een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 3.6, lid 1, onder a, Wro (dus in plaats van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op grond van onderdeel c van datzelfde artikellid), althans, voor zover de gemeenteraad de turbines niet bij recht in het bestemmingsplan wil opnemen. De tip wordt, als ik de uitspraak goed interpreteer, ook gegeven om de andere beroepsgronden van Namiro en de andere appellanten te kunnen bespreken.

5. Het is op zich niet ongebruikelijk en zelfs toe te juichen dat de rechter alle beroepsgronden bespreekt. De rechtspraak ziet dat zelf expliciet als vorm van finale geschilbeslechting (en in de afgedrukte uitspraak dus als effectieve geschilbeslechting). Zie bijvoorbeeld Vzngr. ABRvS 27 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1675, r.o. 7, en ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:185, r.o. 7, en mijn Whitepaper Finale geschilbeslechting op https://www.vindbestuursrecht.nl/finale-geschilbeslechting. In de laatstgenoemde uitspraak heet het dat de Afdeling “[u]it oogpunt van proceseconomie en als bijdrage aan finale geschilbeslechting (…) aanleiding [ziet] de bezwaren van appellant tegen de paardenbak inhoudelijk te bespreken.” Daar voegt zij echter aan toe: “De hierna volgende overwegingen zijn uitsluitend bedoeld voor zover onder gelijk blijvende feiten en omstandigheden het geschil beperkt blijft tussen het college en appellant.”

6. Die toevoeging was in de hier geannoteerde uitspraak ook op haar plaats geweest. De Afdeling had volgens mij alle beroepsgronden kunnen bespreken in het kader van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, eerst de beroepsgronden die niet slagen, dus met betrekking tot de provinciale Verordening Ruimte 2014 e.d., en dan had zij haar overwegingen over het te ver oprekken van die bevoegdheid kunnen geven. Nu bespreekt de Afdeling echter de beroepsgronden over de Verordening Ruimte 2014 e.d. in het kader van een bevoegdheid die helemaal geen voorwerp vormt van geschil, te weten een eventueel op te nemen binnenplanse wijzigingsbevoegdheid. Die aanpak is mijns inziens niet zuiver.

7. Ook aan de toepassing van artikel 3.6, lid 1, onder a, Wro stelt de Afdeling immers in haar rechtspraak voorwaarden; zie recent bijvoorbeeld ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1784, r.o.
9.3:
“Artikel 3.6, eerste lid, van de Wro ziet uitsluitend op de toedeling van een wijzigingsbevoegdheid aan het college. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbevoegdheid in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een wijzigingsbevoegdheid dient derhalve door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.”
Als een van de huidige appellanten of als een andere burger dan de nu betrokken appellanten grieven aanvoert tegen een in een nieuw bestemmingsplan op te nemen wijzigingsbevoegdheid, stuiten zij dan af op het gezag van gewijsde van de bovenstaande uitspraak? Of kan de Afdeling dan terugkomen op de eerste volzin van r.o. 15? De vraag is of de Afdeling dat bij het opschrijven van die volzin doordacht heeft.”

M.e.r.-beoordelingsbesluit moet, ook onder drempelwaarden, expliciet

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 9 juli 2019 een belangrijke uitspraak over de vormvrije m.e.r.-beoordeling gedaan, nota bene zonder zitting. In ECLI:NL:RVS:2019:2298 gaat het om het Rotterdamse bestemmingsplan “De Nieuwe Wielewaal”. Dat voorziet in herontwikkeling van de bestaande woonwijk, die uit 545 woningen bestaat. Twee bewoners zijn het niet eens.

Het plan is een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 4, categorie 11.2, onderdeel D, Besluit m.e.r. De drempelwaarden van de kolom worden niet overschreden. Gelet op de in de uitspraak genoemde bepalingen (o.a. uit § 7.6 Wet milieubeheer, Wm) is het bevoegd gezag verplicht een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt (een “m.e.r.-beoordelingsbesluit”). Zo’n m.e.r.-beoordelingsbesluit is ook vereist als de bedoelde drempelwaarden niet worden overschreden.

Een paar dingen vallen op.

Paragraaf 7.6 Wm geldt ook voor bestemmingsplannen en ook voor ambtshalve te nemen besluiten.

Een m.e.r.-beoordelingsbesluit mag niet impliciet uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling uit de plantoelichting blijken. Oftewel, de Afdeling eist een expliciet besluit.

De buurtbewoners hadden hier in de zienswijze niets over gezegd. Dat wordt hun niet fataal: in beroep mag je nieuwe gronden aanvoeren ten opzichte van de zienswijze, mits zij gericht zijn tegen een besluitonderdeel dat je al in de zienswijze hebt bestreden. Dat is in dit geval aan de orde. Appellanten hebben zich in hun zienswijzen immers gericht tegen het gehele plan en de in het plan voorziene herontwikkeling van hun woonwijk.

Kan het ontbreken van een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden gepasseerd met artikel 6:22 Awb? Nee. Appellanten hebben inhoudelijke beroepsgronden tegen de verrichte vormvrije m.e.r.-beoordeling aangevoerd. Zij hebben o.a. gewezen op de aspecten geluid, gevaar e.d. “Gelet op deze inhoudelijke beroepsgronden is niet aannemelijk dat [appellant sub 1] en anderen door het ontbreken van een m.e.r.-beoordelingsbesluit niet zijn benadeeld.”

De Afdeling heeft ook inhoudelijke kritiek op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling is immers alleen maar gesteld dat uit de beschouwing van de eerder in de plantoelichting genoemde milieuthema’s blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen bijzondere elementen bevat die bovenproportioneel bijdragen aan de aspecten genoemd in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn en dat daarom het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is. Als een gemeenteraad stelt dat een activiteit-beneden-de-drempel geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, moet hij dat deugdelijk motiveren. Daarbij is een enkele verwijzing naar de verrichte sectorale onderzoeken niet voldoende. In de motivering moet hij verwijzen naar de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn.

Annotatie Joost over passeren gebreken (art. 6:22 Awb)

Joost oude Egbrink schrijft in Bouwrecht 2019/42 (aflevering 6) een annotatie over de toepassing van artikel 6:22 Awb. B&W Beesel verlenen een omgevingsvergunning voor het realiseren van een woonzorggebouw aan de Juffrouw Hensenlaan 2 in Beesel. In artikel 2.2.3 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is bepaald waaraan een ruimtelijk plan dat voorziet in het toestaan van een nieuwe functie dient te voldoen. Daarbij dient de mogelijkheid te worden bezien om deze functie in leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen onder te brengen. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop hieraan invulling is gegeven. Volgens B&W Beesel is daarnaar gekeken, maar een expliciete motivering ontbreekt in de omgevingsvergunning. Kan zo’n gebrek met artikel 6:22 Awb worden gepasseerd? In dit concrete geval (ECLI:NL:RVS:2019:244) niet. Joost bespreekt in welke gevallen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gebreken passeert. De annotatie vindt u hier BR 2019 42 m.nt. oude Egbrink.